Niveau A2 - Huis en Wonen
Leer Duitse woordenschat over huis, appartement, kamers, woonvormen en het dagelijks leven thuis. Deze A2-woorden helpen je om je woonsituatie nauwkeuriger te beschrijven en over verschillende manieren van wonen te praten.
Herzien
Flashcards
vormen
Spelling
Quiz
Ein Ort, an dem man vorübergehend wohnt oder übernachtet

accommodatie, verblijf
Boek uw accommodatie van tevoren.
Mit einer anderen Person im selben Haushalt wohnen

samenwonen, samenleven
De twee leven samen gelukkig.
Nicht mehr zusammen wohnen, meist nach einer Trennung
Der Mensch, der in einem Ort wohnt

inwoner, bewoner
Die Arbeiten im Haus (putzen, waschen, kochen)

huishoudelijk werk, huishouden
Schoonmaken hoort bij het huishouden.
Der obere Teil eines Hauses, der vor Regen und Sonne schützt

dak, bedekking
Het dak heeft een gat.
ein Zimmer für eine Person, besonders in einem Hotel

eenpersoonskamer, eenkamer
Ein Zimmer für zwei Personen zum Schlafen

tweepersoonskamer, kamer voor twee personen
De tweepersoonskamer is ideaal voor stellen of vrienden.
Das unterste Stockwerk eines Gebäudes

begane grond, eerste verdieping
De lift gaat tot de begane grond.
Die Öffnung in der Wand mit Glas zum Lüften und Licht

raam, opening in de muur met glas
Sluit alsjeblieft het raam !
Der lange Raum zwischen Zimmern in einer Wohnung oder einem Haus

gang, hal
In de gang hangt een spiegel.
Der Raum oder Gebäude für Autos

garage, autostalling
We bouwen een nieuwe garage.
Der Raum unter dem Haus

kelder, souterrain
Hij gaat naar de kelder.
Ein bewegliches Teil zum Öffnen und Schließen eines Eingangs

deur, voordeur
Waar is de deur ?
Mit Möbeln ausgestattet

gemeubileerd, voorzien van meubels
Het hotel biedt gemeubileerde studio's aan.
Eine Konstruktion mit Stufen, die verschiedene Höhen verbindet

trap, treden
De trap is van hout.
Den Wohnort wechseln und in eine neue Wohnung oder ein neues Haus ziehen

verhuizen, van woonplaats veranderen
Verhuizen kost veel tijd en werk.
Der Raum direkt unter dem Dach eines Hauses

zolder, vliering
Freier Bereich am Haus, meist mit Bodenbelag, zum Sitzen oder Entspannen im Freien

terras, balkon
Het terras is goed om te barbecueën.
Ort, an dem man ein Gebäude betritt

ingang, toegang
De ingang wordt omringd door veel mensen.
Senkrechte Fläche, die einen Raum begrenzt

muur, wand
Hij heeft een plank aan de muur gemonteerd.
Obere Fläche eines Raumes

plafond, gewelf
Aan het plafond zijn watervlekken.
Die begehbare Fläche eines Raumes, auf der man steht oder geht

vloer, grondvlak
De kinderen zitten op de vloer en spelen.
