Niveau B1 - Ruimtes en Plaatsen
Hier leer je woorden voor kamers en plaatsen zoals kamer, gebouw, straat en plein, die zijn voorbereid voor B1-leerders.
Herzien
Flashcards
vormen
Spelling
Quiz
Die Oberfläche eines Gebiets oder Objekts

oppervlak, gebied
Het oppervlak van de tafel is rond.
Mit großem Neigungswinkel nach oben oder unten verlaufend

steil, hellend
Steile was moeilijk te beklimmen.
Herstellung eines Gebäudes oder einer Anlage

bouw, constructie
De bouw is bijna klaar.
Ein Bereich in der Stadt, in dem nur Fußgänger gehen dürfen, keine Autos

voetgangerszone, voetgangersgebied
Auto's zijn verboden in de voetgangerszone.
Ein Ort, wo man Informationen bekommt

informatiebalie, informatiebureau
Vraag het bij informatie.
Ein Ort, an dem sich Menschen verabreden, um sich zu treffen

ontmoetingspunt, samenkomstplaats
Het ontmoetingspunt is gemakkelijk te vinden.
Ein langer, schmaler Raum oder Durchgang in einem Gebäude

gang, doorgang
De lange gang was versierd met afbeeldingen.
Ein gebogener Abschnitt einer Straße oder Linie

bocht, kromming
De weg maakt hier een scherpe bocht.
Der Weg, über den man aus einem Gelände oder von einer Straße abfährt

afrit, uitgang
De uitrit van de parkeerplaats is goed aangegeven.
Ein gemütliches Lokal, wo Alkohol ausgeschenkt und Zeit verbracht wird

kroeg, café
In de pub spelen ze vaak muziek.
Ein Gebäude, wo die Stadtverwaltung arbeitet

stadhuis, gemeentehuis
Het stadhuis is de plaats waar de burgemeester werkt.
Ein Laden, wo man Kleidung professionell säubert

stomerij, droogkuis
De reiniging is snel.
Ein Gebäude oder Raum reparieren und verschönern

renoveren, opknappen
Hij renoveert de badkamer zelf.
Etwas irgendwohin stellen oder legen

plaatsen, zetten
Zet het boek op de plank.
Für eine Nacht an einem Ort bleiben

overnachten, de nacht doorbrengen
Ik wil vandaag bij jou overnachten.