Niveau A2 - Uitgebreide familie
Hier leer je woorden voor de uitgebreide familie zoals oom, tante, nicht en kleinkind, die zijn voorbereid voor A2-leerders.
Herzien
Flashcards
vormen
Spelling
Quiz
Der männliche Nachkomme eines Kindes

kleinzoon, mannelijke afstammeling
Ze heeft een kleinzoon en een kleindochter.
Die weibliche Nachkomme eines Kindes

kleindochter, dochter van zoon of dochter
Mijn kleindochter is erg vriendelijk.
Die Schwester eines Elternteils oder die Frau eines Onkels

tante, tante
Mijn tante brengt me altijd cadeaus.
Der Bruder eines Elternteils oder der Ehemann einer Tante

oom, nonkel
Mijn oom heeft een groot huis.
Der Sohn eines Onkels oder einer Tante

neef, volle neef
Mijn neef houdt ervan om voetbal te spelen.
Die Tochter eines Onkels oder einer Tante

nicht
Mijn nicht en ik gaan vaak naar de bioscoop.
In einer familiären Beziehung stehend

verwant, familielid
We zijn alleen verre familieleden.
Eine verheiratete Frau in einer Ehe

echtgenote, vrouw
Zij is een goede echtgenote en moeder.
Ein verheirateter Mann in einer Ehe

echtgenoot, man
Haar man kookt graag.
Der Vater des Großvaters oder der Großmutter

overgrootvader, betovergrootvader
De oude foto toont mijn overgrootvader als jonge man.
Die Mutter des Großvaters oder der Großmutter

overgrootmoeder, betovergrootmoeder
Mijn overgrootmoeder was een zeer sterke vrouw.
Der Enkel des eigenen Kindes, also das Kind des Enkels oder der Enkelin

achterkleinzoon, nakomeling van de derde generatie
Mijn achterkleinzoon speelt graag in de tuin.
Der Bruder, mit dem man nur einen Elternteil gemeinsam hat

halfbroer, stiefbroer
We vieren samen verjaardagen, ook al zijn we halfbroers.
Die Schwester, mit der man nur einen Elternteil gemeinsam hat

halfzus, stiefzus
Die Tochter von deinem Bruder oder deiner Schwester

nicht, dochter van de broer of zus
Ze vertelt trots over haar nicht.
Der Sohn von deinem Bruder oder deiner Schwester

neef, neef
Ze brengt veel tijd door met haar neefje.
Die Eltern des Ehepartners

schoonouders, ouders van de echtgenoot
Mijn schoonouders zijn erg vriendelijk en aardig.
Der Vater des Ehepartners

schoonvader, vader van de echtgenoot/echtgenote
De schoonvader is vaak erg behulpzaam.
Die Mutter des Ehepartners

schoonmoeder, moeder van de echtgenoot
De schoonmoeder heeft altijd goede adviezen.
Der Ehemann der Tochter oder des Sohnes

schoonzoon, echtgenoot van de dochter
Mijn schoonzoon ondersteunt onze familie erg veel.
Die Ehefrau des Sohnes oder der Tochter

schoondochter, vrouw van de zoon
Mijn schoondochter kookt heel goed.
Der Bruder des Ehepartners oder der Ehemann der Schwester

zwager, schoonbroer
De zwager is een belangrijk deel van onze familie.
Die Schwester des Ehepartners oder die Ehefrau des Bruders

schoonzus, schoonzus
We vieren Kerstmis vaak samen met de schoonzus.
Der Mann, mit dem man früher verheiratet war

ex-man, voormalige echtgenoot
Haar ex-man heeft een nieuwe vrouw.
Die Frau, mit der man früher verheiratet war

ex-vrouw, ex-echtgenote
De ex-vrouw ontvangt maandelijks alimentatie.
Eine Person, die durch Blut oder Ehe mit einer anderen Person verbunden ist

verwant, familielid
Familieleden steunen elkaar in moeilijke tijden.
