Niveau A1 - Familie en Vrienden
Hier leer je basiswoorden voor familie en vrienden zoals moeder, vader, vriend en vriendin, die zijn voorbereid voor A1-leerders.
Herzien
Flashcards
vormen
Spelling
Quiz
Eine Gruppe von Menschen, die durch Verwandtschaft oder enge Bindungen miteinander verbunden sind

familie, gezin
Moderne gezinnen hebben veel vormen.
Ein männlicher Elternteil einer Familie

vader, papa
Mijn vader kookt heel goed.
Eine weibliche Elternteil einer Familie

moeder
Haar moeder werkt op kantoor.
Eine Gruppe aus Vater und Mutter, die ein Kind gemeinsam erziehen

ouders, vader en moeder
De ouders praten met de leraar.
Ein männliches Geschwisterteil in einer Familie

broer, broer
Ik bel elke dag met mijn broer.
Ein weibliches Geschwisterteil in einer Familie

zus, zus
De zus van Anna heet Julia.
Eine Gruppe von Brüdern und Schwestern innerhalb einer Familie

broers en zussen, kinderen van dezelfde ouders
De broers en zussen helpen elkaar.
Die Mutter eines Elternteils in einer Familie

grootmoeder, oma
Ik heb een cadeau gekocht voor mijn oma.
Der Vater eines Elternteils in einer Familie

grootvader, opa
Ik heb mijn grootvader in de tuin geholpen.
Die Eltern der eigenen Eltern

grootouders, ouders van de ouders
Veel kinderen houden erg veel van hun grootouders.
Die Mutter eines Elternteils in einer Familie

oma, grootmoeder
Oma heeft een trui voor me gebreid.
Der Vater eines Elternteils in einer Familie

opa, grootvader
Opa heeft mijn fiets voor mij gerepareerd.
Ein männliches Kind von Eltern

zoon, jongen
De zoon gaat elke dag naar school.
Ein weibliches Kind von Eltern

dochter
De dochter helpt haar moeder in huis.
Ein männliches Kind

jongen, knaap
De jongen heeft een hond.
Ein junger Mensch, der noch nicht erwachsen ist

kind, jongere
Veel kinderen spelen in de tuin.
Ein sehr junges Kind, oft im ersten Lebensjahr

baby, zuigeling
De baby leert net te lachen.
Eine Person, mit der man eine freundschaftliche Beziehung hat

vriend, maat
Mijn beste vriend woont in Berlijn.