Gibt einen festen Ort nahe einer Fläche oder Grenze an

op, aan
We ontmoeten elkaar bij de bushalte.
Beschreibt die Anwesenheit bei einer Person

bij
Ze is bij haar ouders.
Angabe einer Verteilung oder eines Durchschnittswerts je Einheit

per
Hij drinkt twee liter water per dag.
Zeigt an, dass etwas oder jemand von einer Gruppe ausgeschlossen ist

behalve, uitgezonderd
Behalve jij, weet niemand het.
Gibt den Grund oder die Ursache für etwas an

vanwege, wegens
De trein had vertraging vanwege een ongeluk.
Zeigt an, dass etwas nicht in einem bestimmten Bereich liegt

buiten, buiten de
Buiten de school is roken verboden.
Im Angesicht von etwas oder jemandem

tegenover, voor
Hij zat direct tegenover mij.
Eine Position, die weiter zurück als etwas anderes ist

achter, achteraan
De zon verdween achter de wolken.
Zeigt an, dass sich etwas seitlich oder in der Nähe von etwas anderem befindet

naast
Naast de school is er een park.
Wird für zeitliche Bezüge in der Vergangenheit verwendet

toen
Toen het regende, bleven we thuis.
Leitet einen Nebensatz ein, der eine Tatsache, Meinung oder Information erklärt

dat, dat
Het is belangrijk dat we op tijd aankomen.
Leitet einen Nebensatz ein und gibt einen Grund an

omdat, want
We blijven thuis omdat het regent.
Leitet eine Bedingung oder Voraussetzung ein

als, wanneer
Ik help je als je hulp nodig hebt.
Zeigt einen Grund und die daraus folgende Folge an

daarom, dus
Ze is erg moe, daarom gaat ze vroeg naar bed.
Hinzu kommt etwas

bovendien, daarnaast
Hij spreekt Duits, daarnaast Engels.
