sterk
De atleet trapte hard en stuurde de bal over het veld.
Deze bijwoorden beschrijven hoe sterk of zwak een handeling wordt uitgevoerd, zoals "krachtig", "met geweld", "zwak", enz.
Herzien
Flashcards
Spelling
Quiz
sterk
De atleet trapte hard en stuurde de bal over het veld.
krachtig
Het parfum rook krachtig naar jasmijn en muskus.
krachtig
Ze roeide krachtig, haar spieren golvend met elke slag.
robuust
De telefoonhoes was robuust gevormd uit dik rubber.
atletisch
Hij dook atletisch om de bal te blokkeren en het doel te redden.
stevig
Hij zette de doos stevig neer op de houten vloer.
luidkeels
De menigte juichte luidkeels voor de overwinning van hun team.
nadrukkelijk
Ze weigerden beslist hun plannen te veranderen.
inspanning
Ze trainde intensief voor de marathon elke dag.
krachtig
De hond blafte en kwispelde krachtig met zijn staart.
krachtig
Ze trok de vastzittende lade krachtig los.
krachtig
Ze sloeg het boek krachtig dicht, wat iedereen deed schrikken.
zwakjes
De gewonde vogel sloeg zwakjes met zijn vleugels, niet in staat om goed te vliegen.
broos
Zijn stem klonk zwak, wat de effecten van de ziekte op zijn stembanden onthulde.