jong,jeugdig
Ze is nog jong, met veel dromen om te vervullen.
Hier leer je enkele basis Engelse woorden voor het beschrijven van mensen, zoals "jong", "goed" en "boos", voorbereid voor A1-leerders.
Herzien
Flashcards
Spelling
Quiz
jong,jeugdig
Ze is nog jong, met veel dromen om te vervullen.
oud,bejaard
De oude heer begroette iedereen met een warme glimlach.
dom,stom
Ik wil niet dom klinken, maar kun je dat nog eens uitleggen?
dorstig,met dorst
De voetballers voelden zich dorstig na de intense wedstrijd en dronken uit hun waterflessen.
dik,obees
De dokter adviseerde hem om regelmatig te bewegen om overgewicht of dik worden te voorkomen.
dun,slank
Ze geniet van haar snelle metabolisme, dat haar van nature dun houdt.
lang,groot van postuur
De lange vrouw liep sierlijk over de catwalk.
klein
De kleine jongen werd vaak gepest door zijn leeftijdsgenoten, maar hij liet het nooit aan zich komen.
slim,intelligent
De slimme werknemer komt altijd met innovatieve ideeën.
boos,woedend
Ze was boos nadat ze de schuld kreeg van iets wat ze niet had gedaan.
goed,in goede gezondheid
De auto was beschadigd, maar gelukkig waren de bestuurder en de passagiers in orde.
verdrietig,bedroefd
Hij was verdrietig omdat hij het cadeau dat hij wilde niet kreeg.
gelukkig,blij
De leerlingen waren blij een vrije dag van school te hebben.
hongerig,honger
Ze voelde zich hongerig en besloot een sandwich te maken.
opgewonden,enthousiast
De kinderen waren opgewonden om hun cadeaus te openen op kerstochtend.
klaar,voorbereid
De wandelaar controleerde of alle benodigde voorraden waren ingepakt, zodat hij klaar was voor de uitdagende trektocht.