argeloos
De argeloze vraag van het kind bracht de kamer tot zwijgen.
Herzien
Flashcards
Spelling
Quiz
argeloos
De argeloze vraag van het kind bracht de kamer tot zwijgen.
openhartigheid
Ik waardeerde haar openhartigheid bij het aanwijzen van de gebreken.
onpartijdig
Zijn onpartijdige aanpak betekende dat hij geen persoonlijk belang had bij de uitkomst van het project.
trouw
Ze waardeerden zijn trouw aan de doelen van het team.
gepast
Zijn gepaste manieren maakten een goede indruk tijdens het diner.
fatsoen
Zijn gebrek aan decorum tijdens de ceremonie schokte de gasten.
argeloos
De argeloze vraag van het kind onthulde pure nieuwsgierigheid.
naïef
Hij werd uitgebuit vanwege zijn naïeve aard.
rechtschapenheid
In het bedrijfsleven is integriteit essentieel voor het opbouwen van duurzame relaties.
fatsoen
De rechter maakte zich zorgen over de geschiktheid van het gepresenteerde bewijs.
nauwgezet
Tijdens de vergadering vingen zijn nauwgezette notities elk besproken punt op.
oprecht
Hun oprechte bezorgdheid voor het welzijn van anderen leidde ertoe dat ze onbaatzuchtig vrijwilligerswerk deden in de gemeenschap.
waarheidsgetrouw
Zelfs onder druk bleef ze waarheidsgetrouw en weigerde ze te bedriegen.
onberispelijk
De rechter stond bekend om haar onberispelijke rechtvaardigheid.
echt
Zijn bona fide karakter kwam naar voren toen hij zijn fout toegaf en herstelde.
a person whose behavior must be above suspicion because of their close association with someone important
onberispelijk
Hun onbevlekte eer was een bron van trots voor de familie.
to conform strictly to rules, standards, or expectations