voorzetsel
De leraar legde uit dat voorzetsels worden gebruikt om relaties tussen zelfstandige naamwoorden en andere delen van de zin te tonen.
Hier vind je de woordenschat van Unit 2 The Last Word in het Headway Advanced cursusboek, zoals "samentrekking", "apostrof", "proeflezen", enz.
Herzien
Flashcards
Spelling
Quiz
voorzetsel
De leraar legde uit dat voorzetsels worden gebruikt om relaties tussen zelfstandige naamwoorden en andere delen van de zin te tonen.
gesplitst infinitief
samentrekking
De contractie "we've" staat voor "we have".
voegwoord
In samengestelde zinnen zijn voegwoorden essentieel om ideeën te verbinden en samenhang te creëren.
lijdende vorm
De lijdende vorm kan zinnen soms formeler of onpersoonlijker laten klinken.
retorische vraag
Een retorische vraag stellen kan een toespraak overtuigender maken.
apostrof
De apostrof in "it's" onderscheidt het van "its", dat bezittelijk is.
nakijken
Hij proefleest zijn blogberichten meerdere keren voordat hij ze online publiceert om ervoor te zorgen dat ze gepolijst en foutloos zijn.
onderwerp voornaamwoord
In plaats van een naam te herhalen, gebruik je een onderwerp voornaamwoord, zoals "hij" in plaats van "John" te zeggen.
overeenstemmen
Het werkwoord "are" komt overeen met een meervoudig onderwerp zoals "students".
bijwoord
Een veelgemaakte fout in het Engels is het verwarren van bijvoeglijke naamwoorden met bijwoorden.
hulpwerkwoord
Leren hoe je hulpwerkwoorden correct gebruikt, kan iemands vermogen om complexe zinnen te construeren aanzienlijk verbeteren.
idioom
De uitdrukking 'spill the beans' is een idioom dat betekent een geheim verklappen, in plaats van letterlijk bonen te morsen.
dubbele ontkenning
De zin "We hebben niemand gezien" gebruikt een dubbele ontkenning, wat impliceert dat ze iemand hebben gezien.