Uiterlijk en Stijl - Naaien en kledingonderhoud
Leer termen met betrekking tot naaien, repareren en onderhouden van kleding.
Herzien
Flashcards
vormen
Spelling
Quiz
fine corde faite de fibres tissées

draad, vezel
Let op dat u het broze draad niet breekt.
petit objet fin et pointu utilisé pour fixer ou maintenir quelque chose en place, ici pour maintenir une cravate

speld, haaknaald
Ze gaf haar man een speld voor zijn pak.
petit dispositif servant à fixer ou attacher deux éléments, souvent sur un vêtement ou un accessoire

gesp, klem
We hebben de gesp aangepast om de riem vast te zetten.
partie qui forme le contour ou la finition d'un tissu, vêtement, route, jardin, etc.

rand, grens
De stof heeft een contrasterende rand.
assembler des tissus ou des matériaux à l'aide d'une aiguille et de fil

naaien, hechten
Ik moet deze scheur in mijn broek naaien.
petit instrument pointu utilisé pour piquer, coudre ou injecter des substances

naald, spuit
De naald van de thermometer geeft de temperatuur aan.
assembler des fils avec des aiguilles pour créer des vêtements ou des accessoires en laine

breien, haken
Hij houdt ervan sokken voor zijn vrienden te breien.
support en forme d'épaule utilisé pour suspendre les vêtements dans une armoire

kledinghanger, kapstok
Ze heeft al haar jurken op identieke kledinghangers gehangen.
support pliant sur lequel on pose les vêtements pour les repasser.

strijkplank, strijktafel
Hij heeft het strijkplank in de kast opgeborgen.
appareil électroménager qui sert à sécher les vêtements après les avoir lavés

droger, wasdroger
Deze wasdroger verbruikt zeer weinig energie.
qui présente des plis ou des marques parce qu'il n'est pas lisse

gekreukeld, verfrommeld
Kleding komt soms gekreukeld uit de droger.
mettre quelque chose en deux ou en plusieurs parties en le repliant

vouwen, buigen
Ik vouw mijn kleren na het strijken.
nettoyer quelque chose avec de l'eau ou un autre liquide

wassen
Ze wassen de auto elk weekend.
qui porte une ou plusieurs taches

bevlekt, bezoedeld
Mijn trui is sinds de lunch bevlekt.
qui est net et sans saleté

schoon, netjes
De keuken is altijd schoon.
couvert ou imprégné d'eau ; pas sec

nat, vochtig
De vloer is nat: wees voorzichtig.
qui n'est pas propre, couvert de saleté

vies, smerig
Zijn kleren zijn vies.
établissement commercial où l'on nettoie à sec les vêtements (souvent avec repassage), généralement plus moderne qu'une teinturerie traditionnelle

stomerij, droogkuis
Ze hebben een nieuwe stomerij in de buurt geopend.
personne dont le métier est de couper et coudre des vêtements

kleermaker, naaister
Je broek moet worden gerepareerd door een kleermaker.
appareil utilisé pour coudre les tissus plus rapidement et plus régulièrement qu'à la main

naaimachine, naaimachines
Hij werkt met een industriële naaimachine.
